Historie
 

Bouwgeschiedenis

Fase 1: 1876-1900

In 1861 start de Eindhovense ondernemer F. van Gardinge een sigarenfabriek in zijn woonplaats Eindhoven. Deze stad groeit in de tweede helft van de negentiende eeuw gestaag als gevolg van de industrialisatie. De fabriek van Van Gardinge lift mee op deze groei. Omstreeks 1875 zijn in het bedrijf al meer dan 100 arbeiders werkzaam.
Er wordt besloten om een nieuwe fabriek te bouwen, aansluitend op de reeds bestaande woning van de familie Van Gardinge aan de Mathildelaan. De Eindhovense architect Louis Kooken krijgt opdracht om deze fabriek te ontwerpen. Het gebouw heeft een T- vormige plattegrond en omvat voor zover zichtbaar twee niveau’s, vermoedelijk onder een schilddak.
Het jaar 1883 is van belang voor de fabriek omdat in dat jaar aan de achterzijde een stoommachine wordt gebouwd. Op de diverse briefhoofden is de schoorsteen van deze stoommachine zichtbaar. De fabriek wordt in de briefhoofden ‘Stoom-, Snuif-, Carrotten- en Sigarenfabriek de Blauwe Pijp’ genoemd. Tevens zijn er enkele bijgebouwen zichtbaar.

Fase 2: 1900-1923

De groei van de fabriek zet door in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw.
Op de verschillende briefhoofden uit deze periode valt af te leiden dat de fabriek in verschillende fasen aan de noordwestzijde wordt uitgebreid. De eerste uitbreiding is een bouwdeel met een begane grond en drie verdiepingen onder een plat dak en bestaat uit een klein aantal traveeën. De stalen draagconstructie van dit bouwdeel leent zich in combinatie met de gemetselde gevels uitstekend voor latere uitbreidingen in de lengte. Op een foto uit omstreeks 1913 is te zien dat het bestaande bouwdeel is verlengd met een aantal traveeën. De fabriek blijft groeien. Tot aan omstreeks 1920 zal het bouwdeel nog twee keer worden verlengd. Het complete bouwdeel bestaat op dat moment uit 31 traveeën. Het hoogtepunt van de fabriek wordt rond 1920 bereikt.
Op dat moment zijn er ongeveer 700 werknemers aan het werk. De laatste uitbreiding vindt plaats aan de achterzijde van de fabriek. Hier komt een groot eenlaags bouwdeel onder een sheddak tot stand.

Na deze laatste vergroting komt de fabriek al snel de problemen. Al in 1923 wordt de sigarenfabriek F. van Gardinge & Comp. failliet verklaard.

Fase 3: 1923-1930

In 1923 komt het enorme fabriekscomplex leeg te staan. De Exploitatiemaatschappij Ventose uit Amsterdam ziet wel heil in het gebouw en gaat over tot aankoop. Men besluit om de voormalige fabriek om te bouwen tot een flatgebouw met een gecombineerde woon- en winkelfunctie. De opdracht voor deze zeer vroege vorm van herbestemming van een industrieel gebouw komt in handen van het Amsterdamse bouwbureau Gulden & Geldmaker. Dit bureau werkt samen met de architect Johan Melchior van de Mey (1878-1949). Deze samenwerking kwam tot stand omdat bouwplannen in de gemeente Amsterdam op esthetische gronden getoetst werden door de schoonheidscommissie van die stad. Omdat Gulden, noch Geldmaker een opleiding tot architect genoten had, werden zij zo gedwongen een samenwerking aan te gaan met een architect. Zij kozen voor Van der Mey, die in de jaren 1910 naam gemaakt had met het ontwerp van het Scheepvaarthuis aan de Prins Hendrikkade te Amsterdam, één van de eerste typische gebouwen van de zogenaamde Amsterdamse School.
Het rechterdeel van de fabriek, het bouwdeel aan de noordwestzijde dat in fasen tot stand is gekomen, blijkt prima geschikt voor een verandering van functie. Dit komt door de vrije indeelbaarheid die een gevolg is van de gekozen bouwconstructie. De herbestemming wordt verder gestimuleerd door de beperkte ouderdom van dit deel van het oorspronkelijke fabrieksgebouw.

De draagconstructie blijft intact. Het bouwdeel krijgt een nieuwe voorgevel die voor de bestaande gevel wordt geplaatst. De vensterindeling in de nieuwe gevel is op de eerste- en de tweede-verdieping gebaseerd op de vensterindeling in de oude gevel van de fabriek. Op het begane-grondniveau wordt een deel van de oorspronkelijke vensteropeningen in de nieuwe gevel gekopieerd, een aantal vensteropeningen wordt vermaakt tot portiek met dubbele entree. De vensterindeling op het derde- verdiepingsniveau wordt eveneens in de nieuwe gevel overgenomen. Aan de zijde van de Gagelstraat word het gebouw afgesloten met een toren. De rechterzijgevel wordt als laatste ingrijpend gewijzigd omdat dit deel van het gebouw een hotelfunctie (Het Victoria hotel) krijgt. 
Het linkerdeel van de fabriek wordt geheel gesloopt. De voormalige directeurswoning en het oudste deel van de fabriek (1876) lenen zich kennelijk niet voor herbestemming met een gecombineerde winkel- en woonfunctie. Naar verluidt zijn de fundamenten van de woning en de oude fabriek hergebruikt bij de nieuwbouw die op de kaalgeslagen plek tot stand is gekomen: de plattegrond van de nieuwbouw vertoont namelijk zeer sterke overeenkomsten met het oorspronkelijke grondplan. Op het begane-grond-niveau wordt winkelruimte gecreëerd en de verdiepingen hebben een woonfunctie.
De fabrieksruimte met het sheddak aan de achterzijde wordt verbouwd tot een twintigtal garageboxen.

Fase 4: 1930-2004

In 1970 vindt de laatste verbouwing plaats. De verbreding van de Vonderweg maakt het noodzakelijk dat Het Victoria hotel aan de noordwestzijde gesloopt wordt. In totaal verdwijnen drie traveeën van het oorspronkelijke bouwdeel. Met deze verbouwing boet het gebouw aan karakter in omdat de nieuwe zijgevel niets meer behelst dan een soberen bakstenen snijvlak dat is voorzien van een aantal kleine vensters. Het karakter van het gebouw wordt verder aangetast wanneer de gevels worden geschilderd en de meeste oorspronkelijke vensters met horizontale geleding worden vervangen door eenvoudige vensters.
In de laatste jaren is als gevolg van de onzekerheid over het voortbestaan van de Ventoseflat nagenoeg geen onderhoud aan het gebouw verricht. Hierdoor maakt het gebouw een vervallen indruk.

(uit: Eindhoven De Ventoseflat - Bouwhistorische verkenningBouwhistorische verkenning, M.J.L. Bimmel, ing. A.G. Oldenmenger, April 2004,BAAC rapport 04.018)